X.
Op Dinsdag, 14 Rajagoeng, bij het aanbreken van den dag, beviel Dewi Pangrenjep, bijgestaan door de vroedvrouw Nini Margasari van een zoon. In overleg met de oudsten werd hij Aria Banga geheeten ; luisterrijk wordt het geboortefeest.
Naganing Roem’s tijd was echter nog niet gekomen en verwonderd daarover, ging de koning zelf op kondschap tot haar.
Inderdaad het was aldus; hij troostte haar en verzocht haar hem de haren te reinigen, onder welke bezigheid de koning met het hoofd in heur schoot in slaap viel.
Middelerwijl kwam ongezien de geest van den pandita tot haar en in heur nog ongeboren kind varend, deed hij dit spreken en verschillende verwijten tot den koning richten over diens onheusch gedrag jegens den pandita.
Ontstemd daarover, vraagt de vorst der koningin of zij gepraat heeft? Het antwoord luidt ontkennend, gelijk dat van den Lengser, die daarna gehoord wordt, maar toch verbloemd te kennen geeft, dat de stem uit Naganing Roem’s ingewand klinkt.
Dit gaat boven ’s koning’s bevatting; derhalve worden de droomuitleggers ontboden.
Noch zij, noch de hofgrooten vermogen iets ter zake op te helderen met uitzondering van een jongen mantri, Banjak Loemanglang geheeten. Zijn uitleg wordt echter niet begrepen.
Daarom neemt men zijn toevlucht tot den Jaksa Mahajoeta, een reus van 250 gas lengte. Deze doorziet den onbenulligen vorst en voorspelt hem zijn val door Naganing Roem’s spruit. Derhalve gaat de koning andermaal tot haar, breekt alle verdere betrekkingen met haar af, en verbiedt haar hem als vader van het te verwachten kind te beschouwen, zoomede dat dit hem vader zal noemen.
Dan beveelt, hij, tot Dewi Pangrenjep gegaan, deze een mandje te nemen en zoodra het tijdstip der bevalling van haar medevrouw daar is, Naganing Roem’s oogen €n ooren met was dicht te smeren, waarna zij, als het kind geboren is, dit in het mandje met de Tji-tandoej moet laten afdrijven.
Stiptelijk voert Dewi Pangrenjep een en ander op den dag der geboorte van het Kind uit en maakt daarna Naganing Roem wijs, dat zij een hondje het leven heeft gegeven.
Het mandje drijft den stroom af, doch raakt vast bij Sapoe angin. Dit ziet een aldaar vertoevend kluizenaar, die zijn bovennatuurlijk vermogen toepast om de Tji-tandoej te doen rijzen, waarna hij de gestalte van een witten krokodil aanneemt en het mandje verder geleidt.
Waar bekend is, dat Naganing Roem’s medevrouw haar bij hare bevalling heeft bijgestaan, vindt de zonderlinge geboorte van het hondje ver van algemeen geloof.
Naganing Roem weet echter niet beter, is ontroostbaar, en beveelt Lengser, den koning de droeve zaak te gaan mededeelen.
Lengser zal die opdracht uitvoeren, doch durft, védér den koning verschenen, niet te spreken, Daar komt echter Dewi Pangrenjep tot haar gemaal en helpt met