Lompat ke isi

Kaca:Soendanesche bloemlezing - fabelen, brieven en verhalen - Volume 1.pdf/23

Ti Wikipabukon
Ieu kaca geus divalidasi
XIV
INLEIDING.

bij betrekkelijke zuiverheid van taal, een sprekend bewijs voor de waarheid van het getuigenis, dat onze schrijver omtrent zich zelven aflegt in de dichterlijke voorrede van de „Dongèng-dongéng piuntungun”. Hij zegt aldaar: „Poegoeh koela oerang Soenda, tatapi hèsè tèh tuing noelis soepaja bersih, masing basa Soenda woengkoel. Tatapi tatjan bisa, sangkilang diati-ati; koedoe baè aja basa noe njampoeran”, d . i.: Bepaald ben ik een Soendanees, maar het is al te moeijelijk om zuiver en in louter Soendanesche taal te schrijven. Hoewel ik op mijne hoede ben, kan ik het echter nog niet; er moet een mengtaaltje voor den dag komen. ―― Die zoo spreekt, oordeelt zich zelven, zal men zeggen, en moest liever niet schrijven. Toch is de Panghoeloe een kundig man, die zijne taal magtig is, zoo als blijkt uit zijn proza-werk, maar als de dichtgeest hem aanblaast, mengt hij om den wille van maat en rijm allerlei uitlandsche bestand deelen onder zijne schoone en welluidende moedertaal. Dan doet hij als het gros der dichters, en ontsiert hij de taal, die, onaf hankelijk van vreemde toevoegselen, als eenvoudig proza neêr geschreven, duidelijkheid paart aan welluidendheid en schoonheid huwt aan kracht. Dan doet hij zijn nationaal gevoel en zijn vaderlandsch hart geweld aan, en offert, in navolging der mode, als 't ware aan vreemde goden, die hij plaatst op het Soen danesche huisaltaar. Maar men ziet het, de gewoonte is ook onder de Soendanezen eene tyrannieke gebiedster, die haar looden scepter zwaar doet rusten op allen, wien het aan moed ontbreekt om haar de dienst op te zeggen en zich stout tegen haar te verzetten.

§ 7. Verzet tegen de gewoonte en hervorming van het be staande zien wij vooral in het werkje, getiteld: „Nieuw Brieven boek voor de Soendasche scholen, onder leiding van den Heer K. F. HOLLE samengesteld door Radèn KARTA WINATA”. Dit boekje, verschenen in het jaar 1876, vijftien jaren na het Brievenboek van HOLLE, beoogt eene omwenteling in het leven te roepen op het gebied van den briefstijl, vooral door uitwerping van vreemde woorden, dus door taalzuivering. Zulk eene poging verdient te worden toegejuicht, mits de hervorming binnen bepaalde grenzen blijve en niet ontaarde in een angstig en onverstandig purisme. Terwijl nu de vader, zoo als wij boven zagen, zich in zijne poëzie nog niet weet los te maken van vreemden invloed, gaat