eene pasantren openen, zelfs al is hij geen hadji. Het is verder niet te ontkennen dat de pasantrèn althans eenige aanspraak heeft op den naam van s c h o o l, waar men iets leert. Om één ding te noemen, men leert er schrijven. Veelal bepaalt zich dit tot het copiëren van den Koran of gedeelten daarvan; maar er zijn ook voorbeelden van santri's, die andere stukjes opstellen of door copiën vermenigvuldigen. Dit geldt in het bijzonder van de Soendalanden, waar niets te ontdekken is van eene overgeleverde geleerdheid, zoo als die wordt gevonden onder aanzienlijke Javanen. Dat het nut der pasantrèn's ook onder de Soendanezen niet zeer hoog mag worden gesteld, willen wij toegeven; het is echter onloochenbaar dat zij ten minste eene zekere soort van beschaving verbreiden, die bij voorbeeld niet wordt gevonden bij stammen, zoo als de Dajakken en de Alfoeren.
§ 13. „Van welken aard die beschaving is, blijkt uit de gewone leerboeken der Pasantren. Het eerste daarvan handelt over was schingen en g e b e d e n. Dewijl het mij voorkomt dat de lezer minder belang stelt in eene dorre optelling van zaken, die hem toch niet in het geheugen zullen blijven, geloof ik met die opgave te kunnen volstaan. Wanneer de santri genoeg ervaren is in de studie van de voorschriften, die (de beginselen van) het religieuse regt van den Islam uitmaken, wordt hem een tweede leerboek in handen gegeven, waaruit ik het een en ander overschrijf. —— „Wanneer men U vraagt: Wat is het geloof? zoo antwoord: Ik geloof aan God, aan de Engelen Gods, de Boeken Gods, de Gezanten Gods; ik geloof aan den jongsten dag, aan Gods voorbeschikking ten goede en ten kwade.” —— „Wanneer men U vraagt: En wat is het te gelooven aan God? zoo antwoord: Voorwaar, de Heere God de Allerhoogste is één in wezen en één in eigenschappen, die leeft, weet, magtig is, die hoort en ziet, die wil en beveelt, die eeuwig is, de Schepper en Heer; die zonder medegenoot is, en wien niets evenaart, en met wien niets is te vergelijken.” —— „Wanneer men U vraagt: Wat is het, te gelooven aan de Boeken? zoo antwoord: Voor waar, God de Allerhoogste heeft de Boeken doen nederdalen tot de Profeten uit de kinderen ADAMS, over wien vrede zij! God de Allerhoogste deed vijftig van die Boeken nederdalen tot den Profeet ISIS (SETH), over wien vrede zij, —— en dertig tot den Profeet IDRIS (HENOCH), ――― en het Boek T o r è t (de Wet) tot