van den Inlander, die zelfs het vreeselijkste voorval met onbe grijpelijke gevoelloosheid, zou men haast zeggen, weet mede te deelen. Dat behoort nu eenmaal bij het proza, naar het schijnt, althans bij het onontwikkeld en kunsteloos proza, dat door de schrijvers van tjarita's in den regel wordt geleverd. Toch geeft die volstrekte objectiviteit dikwijls aan het verhaal iets aantrekkelijks, vooral wanneer de handelende personen sprekende worden ingevoerd. Geen kunst bij den schrijver, maar wel natuur bij degenen, wier daden en lotgevallen hij beschrijft, en dat maakt zelfs de lezing van het eenvoudig opstel in zekere mate boeijend en aangenaam.
§ 18. Kennis van de Mohammedaansche legenden en van de religieuse leerboekjes, waarvan in het IIde Stuk nog een drietal opgenomen zal worden, is evenwel slechts een deel van den schat, dien de santri's gedurende hunne leerjaren opzamelen. Een ander deel is de grondige kennis van de d j a m p è's of bezweringsformules, waardoor de mensch magt heeft over anderen en over de natuurkrachten. Dat grenzenlooze rijk van het bijgeloof heeft voor den Inlander veel aantrekkelijks, en het is voor hem, bij zijn geloof aan Allahı, eene behoefte te gelooven aan eene levende en bezielde natuur, waarin alles zamenhangt, waartoe mede zijn ligchaam behoort, maar die onderworpen is aan de bovennatuurlijke magt van zijn wil, zoodra die wil weet welk middel hij moet aanwenden, om in een bepaald geval aan den loop der natuur of aan het lot van zijn evenmensch eene of andere rigting te geven. Ter bestrijding van dat bijgeloof heeft zich de Panghoeloe van Garoet aangegord, en bijna al zijne geschriften hebben de strekking om den Soendanees te bevrijden van dien ban, waaronder hij ligt, en hem op verstandige wijze te leeren, dat het dwaasheid is aan de d j a m p è te gelooven. —— In de aanteekening, voorkomende op bladzijde 3 en 4 achter de „Zede leer naar Ghazzáli”, zijn over de studie van de santri's eenige bijzonderheden medegedeeld en is gesproken van een Soenda nesche „Kitab paririmbon”. Aan bedoeld boekje heb ik mede eene plaats gegeven in het IIde Stuk, om althans ook ééne enkele vrucht van het Inlandsche bijgeloof ter kennisneming aan te bieden. Uit eene schriftelijke mededeeling is mij gebleken, dat het uit het Javaansch werd vertaald. De taal is goed en zonder Javanismen, en het is daarom jammer dat het niet grooter