39
ngunah-ngunah, lamoen metakunnana tinggal doega djung kira-kira sarta tu ati-ati, sok djadi njilakakun ka diri, Alle fraaije, geurige, lekkere dingen brengen iemand veelal ongeluk aan, zoo men ze gebruikt zonder overleg en nadenken en zonder voorzigtigheid.
§ 31. Ter aanduiding van bepaaldheid van voorwerp heeft het Soendaneesch vierderlei soort van lidwoord: 1°. anoe of noe, dat reeds meermalen in de opgegeven zinnen voorkwam; 2°. tèja; 3°. tèh en 4%. na, als achtervoegsel. Daarnaast staat het telwoord hidji of sahidji, èèn, dat even als het Hollandsche onbepaalde lidwoord wordt gebruikt, en vóór of achter het naamwoord wordt geplaatst. Dan heeft de taal nog een eigenaardig syntactisch lidwoord, namelijk nja, dat in den regel geplaatst wordt tusschen het woord of de uitdrukking, waarop de nadruk valt, en het woord of de uitdrukking waaraan de waardij van een zelfstandig naamwoord wordt geschonken, en waaraan gevoegelijk den naam van logisch onderwerp van den zin kan worden gegeven, in tegenstelling van het grammatisch onderwerp van het gezegde. Een enkele maal beeft hierbij eene omgekeerde rangschikking van de beide deelen plaats. De eigenlijke lidwoorden tèh en tèja volgen op het zelfstandig naamwoord, en zoo er bijvoegelijke bepalingen zijn, komt het lidwoord geheel achteraan. Ook bij zelfstandige naamwoorden met een aanwijzend voornaamwoord en bij persoonlijke voornaamwoorden, zoo mede bij eigennamen, worden beide gebezigd, terwijl tèh nog voorkomt bij iju, dit, en èta, dat. Het verschil tusschen beide woorden is dit, dat tèja beantwoordt aan het Hollandsche de en tèh de beteekenis heeft van het lidwoord en van den nadruk, dien wij soms leggen op het zelfstandig naamwoord. Doch van het lidwoord wordt geen gebruik gemaakt, wanneer de bepaaldheid van voorwerp uit den zamenhang voldoende blijkt. Zoo zegt men: Mata buntakun kana djalan kahadèan, Zet de