Lompat ke isi

Kaca:Tijdschrift voor Indische Taal- Land- en Volkenkunde, LIV.pdf/261

Ti Wikipabukon
Ieu kaca can diuji baca

241 De valk weende krijtend dat hij in kracht voor den djaro saeran had moeten onderdoen. Na verloop van tijd beval de koning dat er rivieren moesten gegraven worden tot drinken en baden, opdat deswegen geen moeilijkheid zou zijn, nu en in 't late nageslacht. Er wordt verteld dat alle gehoorzaamden en dat alle vogels wilden graven ; om te beginnen wilden zij de rivier Tji-beo graven. Toen de djaro saeran dien last den valk gaf, weigerde deze, hij volgde het bevel van den djaro saeran niet op; vervolgens viel hij hem aan en joeg hem achterna. Voor god gekomen, berichtte hij hem het gedrag van den valk, dat deze hetgeen hem opgedragen werd niet wilde doen. De valk werd door god vervloekt, levenslang mochten hij, noch zijn nakomelingen, noch zijn kindskinderen uit een rivier drinken of zich daarin baden, dewijl hij te lui was om te graven. Hij stond hem wel toe te drinken, doch daartoe moest hij den regen afwachten of zeewater nemen. Zoo komt het, dat tot op heden valken nooit uit rivieren drinken of zich daarin baden; dit is sedert zij door god met dien ban geslagen werden. En wanneer zij gedurende den drogen tijd verlangen tedrinken, vliegen zij zeer hoog als willen zij de wolken benaderen en laten daarbij gekrijsch hooren, dat is om de regen uit te dagen, daar zij willen drinken. ] ) Ziehier het relaas van de vogelen. Dat de saeran nooit in 't vroeg opzijn overtroffen wordt en ook thans nog de andere vogels later bij de hand komen is, wijl hij hun djaro is. Het typische in deze vertelling is, dat de hoofdwaardigheden der Badoejsche staatsinrichting, hierin, gelijk gezegd, worden herhaald. 1) Zie Bantënseh folklore, Tijdsehr. v. Ind. T.,- L.- en Vk., dl. LII , 148, en daar aangehaalde bronnen voor de valk als regenvoorspeller.