C
De „Tjarita pantoen Ki Mandjor djung Nji Gendroek,” afkomstig van den bewerker van het onder B. beschreven stuk,is 67 bladzijden in 4° groot, en komt met dat stuk geheel overeen wat betreft het aantal regels en woorden op elke bladzijde, en verder ook in taal en stijl.
De overleveringen uit ouden tijd, die allengs zoo zeer zijn ontaard, dat men ze zelfs niet meer kan raadplegen om daaruit de zeden en gewoonten van het voorgeslacht te leeren kennen, handelen meest over liefdes- en krijgsavonturen van vorsten en grooten. Het aantal personen, die ten tooneele werden gevoerd, is vrij aanzienlijk. Eén dier helden is Mandjor, die met zijne zuster Gendroek een avontuurlijken levensloop heeft, en in wiens won-derbaarlijke geschiedenis verscheidene andere personen eene plaats hebben bekomen.
De legende van Mandjor is ook in poézie bewerkt. Het verhaal is op vele plaatsen korter dan de redactie in proza, en veoral de gesprekken missen de natuurlijkheid van het. mondelinge verhaal, welke nog de eenige waardij is van de tjarita pantoen. Wanneer men een of anderen toekang pantoen zijne historién last opschrijven, komt er meestal een dor geraamte te voorschijn, vol namen van personen en plaatsen zonder eenige merkwaardige gebeurtenis. Alleen de gesprekken der handelende partijen zijn soms de flaauwe afspiegeling van hetgeen de legende in vroegere tijden is geweest. De kunst van vertellen is onder de Soendanezen achteruit gegaan, en de legende heeft meer en meer hare eigenaardigheden verloren. Alleen de namen zijn gebleven, -en deze ruinen van het voorleden kunnen uit den tegenwoordigen toestand der taal niet worden verklaard. Daarbij zijn uit de oudere taal eenige uitdrukkingen behouden, die de vyerteller zelf doorgaans niet goed verstaat. Over het geheel is de Soendanesche legende en evenzeer de vertelling, hoe ook in de lengte en de breedte uitgemeten, zeer weinig waard, en staat zij ver beneden de eenvoudigste sproken onzer Germaansche vooronders.