Badoejsche Pantoenverhalen/Inleiding
[ 1 ]
BADOEJSCHE PANTOENVERHALEN.
DOOR
J. J. MEIJER.
Voormalig kontroleur van Goenoeng Kantjana,
(Zuider-Regentschap van Bantĕn).
INLEIDING.
Tijdens ik kontrôleur der afdeeling Goenoeng Kantjana was, vorderde de dienst dat ik vele tournées maakte in het onderdistrict Bodjong Manik (district Paroeng Koedjang). Het gemis van pasanggrahan’s liet mij vrij in welke desa ik wilde overnachten. Zij, die Zuid-Bantĕn kennen, zullen wel begrijpen, dat ik mij weinig over die vrijheid verheugde en nooit door l’embarras du choix werd verhinderd om eene keuze te doen. Het liefst hield ik mij op in de ampijan Sĕreweh van de desa Kĕbon tjaoe. Om verschillende redenen had dit gehucht voor mij eene aantrekkelijkheid. Op eene hoogte van ongeveer 400 meter gelegen aan de beide oevers der kristalheldere Tjiliman, omgeven door maagdelijke bosschen van poespa[1], sĕmpoer[2], kihijang[3], pasang[4], die van mĕntjĕk’s[5] wemelen, stelde het mij in de gelegenheid om het nuttige met het aangename te vereenigen.
In de woning van djoeragan Alwan, vader van het toenmalige desahoofd, ruimer dan de gewone Zuid-Bantĕnsche huizen, vond ik een behoorlijk onderkomen.
Alwan was de type van een djaro van den ouden stempel. Reeds vóór de komst van den Assistent-Resident Douwes Dekker in Lĕbak was hij met het hoogste gezag in zijne desa bekleed. [ 2 ]Hij behoorde tot degenen, die bij gelegenheid van de lĕbaran of wanneer adjĕngan dalĕm sĕpoeh[6] een feest gaf, hun moending, bejas, kotok, ĕndog, ĕmbe als panganteuran moesten leveren. Hij maakte deel uit van den staf van dĕmang Kĕboeg[7] en werd met dezen terzake van knevelarij en vordering van onwettige leveringen vervolgd. Hij was reeds desahoofd, toen de resident Buyn met Dr. van Hoëvell een bezoek bracht aan de Badoej’s in de tanah larangan en, daar zijne desa grenst aan Kanekes, moest hij in het gevolg mede. Met de leden van dezen stam leefde hij steeds op een goeden voet en gaarne nam hij hunne rinoe in ruil aan voor oejah, delan, kokopong, enz. Het was in zijne woning, dat ik voor het eerst kennis maakte met dit belangwekkende volk.
Over de Badoej’s had ik veel gehoord en gelezen en reeds vóór mijne plaatsing in de residentie Bantĕn koesterde ik den wensch om hen nader te leeren kennen. Reeds den eersten keer dat ik Sĕreweh als rustpunt koos, werd ik daartoe in de gelegenheid gesteld.
Om aan mijne komst naar Zuid-Bantĕnsch gebruik eenig feestelijk aanzien te geven, liet Alwan over dag af en toe de angkloeng bespelen en des avonds ontbood hij een Badoejschen toekang mantoen. Alhoewel ik toen nog zeer weinig van het voorgedragene verstond, — ik was nog geen maand in de afdeeling en kwam uit Midden-Java, waar ik met de bevolking uitsluitend Javaansch sprak — trok het verhaal mij aan. De melancholieke melodie had iets bekoorlijks voor mij. Aandachtig luisterde ik toe en verzocht telkens aan de mij vergezellende inlandsche ambtenaren den inhoud der tjarita pantoen in het voor mij verstaanbare Maleisch terug te geven.
[ 3 ]Na diea tijd kon ik mij niet meer in S ë r e w e h vertoonen of een der barden uit K a n e k e s — towa J a s t i , a j a h D j a s i n i , ajah S a r s i m i n , p a n g a n t e n Ak w i n , maakte mij zijne opwachting, vergezeld van ajah D j a e n i , den k o k o l o t p a n g a s o e h van T j i k e u s i k , die, naar het heette, namens k a k a g i r a n g ' naar den staat mijner gezondheid moest vernemen, maar eigenlijk door zijnen poe'oen was afgevaardigd om na te gaan wat ik eigenlijk te S ë r e w e h te doen had.
Door die samenkomsten met Badoej's was ik in de gelegenheid om meer van hunne zeden en gewoonten te vernemen dan zij die slechts voor enkele dagen het gebied van K a n e k e s bezochten en met uitzondering van wijlen Mr. Daniel Koorders geen woord Soendaneesch verstonden en zich daarom van de hulp der inlandsche hoofden bedienden of anderen exploiteerden. Ik wist toen niet, dat ook ik op mijne beurt geëxploiteerd zoude worden.
Langzamerhand kwam bij mij het verlangen op om een afschrift van de pantoenverhalen te bezitten. Zij leken mij een uitstekend hulpmiddel bij de studie van het Soendaneesch. Een der onder mijne kontröle staande inlandsche ambtenaren deelde mij mede, dat de Assistent-Resident van Baak ze destijds voor het Bataviaasch Genootschap van Kunsten eii Wetenschappen had laten opschrijven. Ik wendde mij tot de Directie, doch kreeg tot antwoord, dat de t j a r i t a p a n t o e n in de verzameling handschriften niet aanwezig waren. Zij moedigde mij aan om die mondelinge overleveringen te doen opteekenen, ten einde ze aan de vergetelheid te onttrekken.
Toen het mij gelukt was om Badoej's naar de kontroleurswoning van G o e n o e n g K a n t j a u a te lokken — dank aan de hulp van d j o e r a g a n A l w a n , heb ik mijn Soendaneeschen schrijver Agoe,s Raksa A t m a d j a aan het werk gezet en hem het door den t o e k a n g man to en gereciteerde woordelijk laten opschrijven. Vervolgens werd het nauwkeurig door mij zelf nagezien en overgeschreven.
De hierbij den beoefenaar van het Soendaneesch aangeboden verzameling is even nauwkeurig als een stenographisch verslag van het door een lid der Staten-Generaal op de openbare zitting gesprokene. i Het wil er bij de Badoejs niet in, dat hunne geestelijke hoofden de veruohillende poe 'oeu's en s e u r a t ' s — ondergeschikt zijn aan de door het gouvernement aangestelde europeesohe en inlandsohe ambtenaren. Zij besohouwen denen als de jongere broeders van genen. Wanneer de kokolot pangasoeh van Tjikeusik mij te SSreweh kwam begroeten, luidde zijne boodschap ste«b: n n g a t o e r k e u n sëmbahna kaka girangu e». [ 4 ]Kaca:Badoejsche Pantoenverhalen.pdf/4
- ↑ Sohima Noronhae, Rwdt., Nat. fam. der Camelliaceae.
- ↑ Dillenia aurea Sm., Nat. fam. der Dilleniaoeae.
- ↑ Albiuia proiera Benth., Nat. fam. der Mimoseae.
- ↑ Quercus L. Speo. divers., Nat. fam. dar Cupuliferae.
- ↑ Cervulus muntjak.
- ↑ Raden Adipati Karta Nata Nagara, welbekend uit Multatuli’s Max Havelaar.
- ↑ Raden Wira Koesoema, het in Max Havelaar genoemde distriotshoofd van Paroeng Koedjang, schoonzoon van den regent. Kĕboeg beteekent hetzelfde als lintoeh: vet, dik, zwaar van lichaam. Tot toelichting zij hier nog vermeld, dat de kleine man in Zuid-Bantĕn de inlandsche ambtenaren bij hun kindsnaam — of indien dese niet bekend is — bij hun bijnaam noemt, wanneer hij van hen spreekt. Zoo zal men altijd hooren van een dalĕm Rila, dalĕm Ondo, dalĕm Akmad, dĕmang Baidja, dĕmang Dotong, dĕmang Ompong (de tandeloose) dĕmang Tahir, patih Kaër, patih Djahidi, wadana Kaäng, wadana Nanib, astiten Dapi. De tegenwoordige regent van hut Zuider-Regentschap is bij de bevolking bekend als dalĕm wetan, omdat hij uit de Preanger Regentschappen — dat oostelijk van Bantĕn ligt, — komt.